Prinsjesdagspecial - belastingplan 2017

PRINSJESDAGSPECIAL – BELASTINGPLAN 2017

Prinsjesdagspecial - belastingplan 2017


De in deze Prinsjesdagspecial genoemde wetsvoorstellen/maatregelen zullen per 1 januari 2017 in werking treden, tenzij anders vermeld.

  

MAATREGELEN ONDERNEMINGEN

Nieuwe tarieven inkomstenbelasting
Voor belastingplichtigen, die zijn geboren op 1 januari 1946 of later, gelden vanaf 1 januari 2017 hoogstwaarschijnlijk de volgende tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting: 

Tarief inkomstenbelasting 2017
Bel.inkomen meer dan (€) maar niet meer dan (€) Tarief 2017 (%) *
1e schijf - 19.982 8,9
2e schijf 19.982 33.791 13,15
3e schijf 33.791 67.072 40,8
4e schijf 67.072 - 52

*  Deze percentages zijn dus exclusief premies volksverzekeringen.

Verlenging eerste schijf Vpb 2018
Het kabinet wil op 1 januari 2018 de eerste schijf van de vennootschapsbelasting (tarief 20%; het normale tarief is 25%) verlengen van € 200.000 naar € 250.000. In 2020 wordt de eerste schijf verder verlengd naar € 300.000 en in 2021 naar € 350.000.

Gebruikelijk loon innovatieve DGA
In het Belastingplan 2017 wordt voorgesteld om vanaf 2017 het belastbare loon van directeuren-grootaandeelhouders (DGA’s) van innovatieve startups, voor de toepassing van de gebruikelijkloon-regeling, vast te stellen op het wettelijke minimumloon. Het zal hier gaan om DGA’s van bedrijven, die speur- en ontwikkelingswerk verrichten en voor de toepassing van de S&O-afdrachtvermindering worden aangemerkt als “starter”.

Meer tijd voor opteren belastingplicht
Stichtingen en verenigingen met beperkt winstgevende ondernemingsactiviteiten zijn in beginsel vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Omdat het soms voor hen voordeliger kan zijn om toch belastingplichtig te zijn, kunnen zij opteren voor belastingplicht. Nu moeten zij daartoe een verzoek indienen binnen zes maanden na het einde van het betreffende jaar. Deze termijn wordt aangepast: men zal het verzoek uiterlijk gelijktijdig met het indienen van de aangifte moeten doen.

 

MAATREGELEN WERKGEVER

Aanpassing regeling S&O (= Speur- en Ontwikkelingswerk)-verklaring
Er worden twee vereenvoudigingen doorgevoerd voor de S&O-regeling. Om te beginnen wordt voor de bepaling van het gemiddelde uurloon voor de S&O-regeling het eindheffingsloon uitgesloten. Dat is nu al de praktijk omdat dat wordt bepaald aan de hand van loongegevens uit de polis-administratie van het UWV, waarin het eindheffingsloon niet is opgenomen.

Ten tweede wordt de boete die kan worden opgelegd als niet tijdig mededeling is gedaan van de werkelijk bestede S&O uren, kosten en uitgaven, gemaximeerd op € 2.500, voor die gevallen waarin slechts sprake is van een administratieve fout. Dan geldt ook een lichtere procedure. Alleen bij grove nalatigheid of fraude blijven de huidige boeteregeling en hogere maximumboete gelden.

Afschaffing fictieve dienstbetrekking commissarissen
De afschaffing van de fictieve dienstbetrekking voor commissaris wordt per 1 januari 2017 in de wet opgenomen.
Let op!
Voor commissarissen die geen ondernemer zijn blijft het, desgewenst, mogelijk om onder de loonbelasting te vallen. Zij kunnen samen met de inhoudingsplichtige gebruikmaken van de opting-in regeling.

Afschaffing jaarloon-uitvraag
De jaarloon-uitvraag heeft voor de Belastingdienst en UWV geen betekenis meer omdat de loonaangifteketen sterk is verbeterd. De mogelijkheid voor de Belastingdienst om een jaarloon-uitvraag te doen wordt daarom afgeschaft. Met de afschaffing van de jaarloon-uitvraag wordt op ICT-kosten bespaard.

Uitbreiding verlegging inhoudingsplicht
Voor concerns met Nederlandse en buitenlandse concernonderdelen wordt het altijd mogelijk de inhoudingsplicht te verleggen van een buitenlands naar een Nederlands concernonderdeel. Dat voorkomt dat het buitenlandse concernonderdeel relatief hoge kosten moet maken om een Nederlandse loonadministratie te voeren, als het in Nederland inhoudingsplichtig wordt. Tot op heden mag dat alleen als het Nederlandse concernonderdeel bemiddelt bij de tewerkstelling van een werknemer in Nederland. Die beperkende voorwaarde vervalt.
Let op!
Om de inhoudingsplicht te verleggen is een gezamenlijk verzoek van beide concernonderdelen nodig.


MAATREGELEN EIGEN WONING

Voor de eigen woning wordt een aantal beleidsbesluiten gecodificeerd.
Besluit vruchtgebruik Ten eerste het Besluit vruchtgebruik van 21 februari 2014. Per 2017 wordt in de wet opgenomen (vanaf 3.119a wet IB 2001):

  • dat, mits aan overige voorwaarden is voldaan (waaronder de aflossingseis), een schuld, waarvan de belastingplichtige op grond van krachtens erfrecht verkregen recht van vruchtgebruik (*) gehouden is de kosten of lasten te dragen, als eigenwoningschuld wordt aangemerkt, zodat recht bestaat op renteaftrek;
  • dat, mits aan de overige voorwaarden is voldaan, de restschuldregeling van toepassing is op de vruchtgebruiker;
  • dat, als de vruchtgebruiker op het moment van overlijden van de erflater diens partner was 
    • het aflossingsschema van de erflater van toepassing blijft op de schuld waar het krachtens erfrecht gevestigde vruchtgebruik betrekking op heeft en
    • de schuld voor de vruchtgebruiker een bestaande eigen woningschuld is (een schuld van voor 1 januari 2013, waarvoor dus geen aflossingseis geldt).

​(*) Waar vruchtgebruik wordt genoemd, wordt overeenkomstig ook een recht op bewoning of een recht van gebruik bedoeld.

Besluit tijdklemmen
Een van de voorwaarden om een vrijstelling te kunnen benutten bij het tot uitkering komen van een kapitaalverzekering eigen woning, een spaarrekening eigen woning, een beleggingsrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning is dat tenminste 15 of 20 jaar jaarlijks premie is ingelegd of bedragen zijn overgemaakt (de tijdklem). In sommige situaties kunnen mensen daar niet aan voldoen. In de wet worden nu de uitzonderingssituaties uit het besluit opgenomen en uitgebreid. Er kan daardoor vervroegd worden afgekocht:

  • bij beëindiging partnerschap belastingplichtige;
  • bij schuldhulpverlening;
  • bij verkoop van de woning als op dat moment nog steeds of opnieuw een eigen woning ter beschikking staat;
  • de lasten van zijn woning - binnen afzienbare tijd –  niet meer kan voldoen.

Bij goedkoper gaan wonen blijft bovendien de oude vrijstelling gelden.

Rentemiddeling
Ook het besluit, waarin de fiscale belemmeringen voor het aanbieden van rentemiddeling door banken worden weggenomen, wordt gecodificeerd.

Verlenging aanslagtermijn schenking eigen woning
De laatste maatregel voor de eigen woning is van een andere aard. Op grond van het Belastingplan 2016 mag iedereen tussen 18 en 40 jaar per schenker met ingang van 2017 eenmalig een schenking van maximaal € 100.000 vrijgesteld ontvangen. Op grond van de ervaringen met de regeling uit 2013/2014 wordt de termijn voor het opleggen van een aanslag te kort gevonden.

Vaak was niet tijdig duidelijk hoe de schenking was aangewend. De termijn voor het opleggen van een aanslag wordt om die reden met twee jaar verlengd tot vijf jaar.
Tip
Het is mogelijk deze vrijstelling verspreid over drie achtereenvolgende kalenderjaren te benutten.

Let op!
De toepassing van de verhoogde vrijstelling wordt beïnvloed als eventueel in een voorgaand jaar al een eenmalig verhoogde vrijstelling werd toegepast.


MAATREGELEN VERMOGENDE PARTICULIEREN

Beleggen via (flits)-VBI minder aantrekkelijk
Onder de huidige regeling kan de belastingdruk op box 2-vermogen worden beperkt door vermogen, waarop een aanmerkelijk belang (ab)-claim rust, onder te brengen in een Vrijgestelde Beleggingsinstelling (VBI). Box 3-heffing kan nu ontgaan worden door vermogen tijdelijk in box 2 te plaatsen, door te beleggen in een zogenoemde flits-VBI. Daarom stelt het kabinet de volgende maatregelen voor: 

  • er wordt voortaan in box 2 afgerekend over de positieve aanmerkelijk belang (ab-)claim als een lichaam, waarin de belastingplichtige een ab heeft, de VBI-status verkrijgt;
  • het box 3-vermogen dat wordt ondergebracht in een VBI waarin de belastingplichtige een ab heeft, wordt belast in box 2, maar ook in box 3 als dit vermogen binnen 18 maanden weer terugkomt naar box 3.
  • het percentage van het forfaitaire rendement uit een VBI wordt automatisch gekoppeld aan het voor dat jaar geldende percentage van de hoogste schijf in box 3.

Om anticipatie op deze maatregelen te voorkomen, wordt voorgesteld deze maatregelen met terugwerkende kracht tot en met 20 september 2016, 15.15 uur in werking te laten treden. Met name de maatregel over het afrekenen tegen 25% bij het verkrijgen van de VBI-status is ingrijpend en zal vermoedelijk de doodsteek betekenen voor nieuwe VBI’s.
Let op!
Deze maatregelen gelden ook voor vermogen dat in een dergelijk buitenlands beleggingslichaam wordt ondergebracht.

Tip
Er komt wel een tegenbewijsregel zodat geen dubbele belastingheffing plaatsvindt. De belastingplichtige moet dan aannemelijk kunnen maken dat er een zakelijke reden was om het vermogen binnen achttien maanden weer terug te halen naar box 3.

Toerekeningsstop alleen voor actieve APV
De toerekeningsstop in de regeling voor Afgezonderde Particulieren Vermogens (APV’s), zoals trusts, is bedoeld om dubbele belastingheffing te voorkomen. Maar in de praktijk wordt deze bepaling steeds meer als route gebruikt om toerekening aan de inbrenger van vermogen te voorkomen, terwijl in het buitenland effectief geen (winst)belasting is geheven. Het kabinet wil de toerekeningsstop om die reden alleen laten gelden voor APV’s voor zover die een reële, actieve onderneming drijven. Het op relatief eenvoudige wijze opzoeken van de toerekeningsstop via een passieve APV, die als houdstermaatschappij fungeert, biedt straks dus geen soelaas meer. Daarnaast worden in het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting aanvullende voorkomingsregelingen opgenomen om bij de Nederlandse belastingheffing van de inbrenger rekening te houden met de daadwerkelijk in het buitenland betaalde belasting.
Let op!
Als voorwaarde voor de toepassing van de toerekeningsstop blijft dus nog steeds gelden dat de APV zelf in een naar Nederlandse maatstaven reële heffing naar de winst wordt betrokken (van ten minste 10% over een vergelijkbare grondslag).

Reparatie BOR-arrest klein indirect belang
Een indirect aanmerkelijk belang van een erflater of schenker, dat bij hem/haar zelf geen aanmerkelijk belang vormt (het belang is dus kleiner dan 5%), kan volgens de hoogste belastingrechter onder omstandigheden toch kwalificeren voor de Bedrijfsopvolgings-faciliteit (BOR) in de Successiewet. Dit is bijvoorbeeld het geval als het houden van dat belang past binnen de ondernemingsactiviteiten van de holding en het belang op grond van de regels van vermogensetikettering wordt gezien als een bedrijfsmiddel. Hierdoor wordt, naast ondernemingsvermogen, dus ook beleggingsvermogen onder het bereik van de BOR en de doorschuifregelingen in de Wet inkomstenbelasting gebracht. Om deze ingrijpende gevolgen te repareren  wil het kabinet in de wet opnemen dat indirecte belangen van 5% of minder in beginsel, net als directe belangen van 5% of minder, niet onder de BOR vallen. In de Wet inkomstenbelasting worden indirecte belangen uitgesloten als ondernemingsvermogen voor de doorschuifregelingen en wordt met betrekking tot die belangen dus niet toegekomen aan de toepassing van de leer van de vermogensetikettering.
Let op!
De gevolgen van het arrest worden gerepareerd met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip waarop deze wijzigingen bij persbericht bekend zijn gemaakt, dus tot en met 1 juli 2016, 0.00 uur.


MAATREGELEN INTERNATIONALE SITUATIES

Teruggaaf dividendbelasting
Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad wordt de teruggaafregeling voor de dividendbelasting aangepast. Niet-ingezeten natuurlijke personen en niet-ingezeten lichamen met Nederlandse aandelen zullen onder voorwaarden kunnen verzoeken om een teruggaaf van ingehouden dividendbelasting. Die teruggaaf is mogelijk voor zover deze dividendbelasting hoger is dan de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting, die verschuldigd zou zijn als de natuurlijke persoon of het lichaam inwoner van Nederland zou zijn geweest.
Let op!
De fiscus verleent geen teruggaaf van dividendbelasting als de natuurlijke persoon of het lichaam niet de uiteindelijke gerechtigde (UBO) tot de opbrengst is.

Heffingsrecht over bestuurdersvergoeding
Belastingverdragen wijzen het heffingsrecht over beloningen van bestuurders en commissarissen van een vennootschap in de regel toe aan het land waar die vennootschap is gevestigd.

Daarom wil het kabinet vastleggen dat Nederland de vergoeding voor buitenlands belastingplichtige bestuurders en commissarissen van in Nederland gevestigde vennootschappen volgens nationaal recht kan belasten, ongeacht of sprake is van winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking of resultaat uit overige werkzaamheden. Zo stelt het kabinet zeker dat Nederland het, in verdragen aan Nederland toegewezen, heffingsrecht op beloningen van bestuurders en commissarissen in alle gevallen kan benutten.

Intrekking Spaarrenterichtlijn
Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016 wordt de Nederlandse wet aangepast aan het intrekken van de Europese spaarrenterichtlijn. Als gevolg van deze aanpassing zal onder meer de Oostenrijkse bronbelasting op rente in beginsel geen voorheffing meer vormen voor de inkomstenbelasting. Echter op basis van overgangsrecht blijft de regeling, zoals die luidde op 31 december 2015, voorlopig nog gelden ten aanzien van bronbelasting die is geheven over rentebetalingen die na 31 december 2015 zijn gedaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook bronheffingen van enkele landen buiten de EU worden aangewezen als voorheffing. Bovendien moet bij wijze van overgangsrecht ook na 31 december 2015 worden voldaan aan verplichtingen op grond van de spaarrenterichtlijn, die vóór 1 januari 2016 zijn ontstaan.

 

MAATREGELEN BTW

Sneller vrijstelling van overdrachtsbelasting
Volgens het Hof van Justitie van de EU kan een terrein als bouwterrein in de zin van de BTW-richtlijn worden aangemerkt, wanneer uit een beoordeling van alle omstandigheden, mits ondersteund door objectieve gegevens, blijkt dat op de datum van levering het betrokken terrein daadwerkelijk bestemd was om te worden bebouwd. Daarbij speelt ook de intentie van de partijen een belangrijke rol. Het begrip bouwterrein wordt in de Wet op de omzetbelasting beperkter uitgelegd. Met ingang van 2017 komt daarom in de wet de ruimere definitie van een bouwterrein (conform de BTW-richtlijn) te staan. Voldoet men aan de definitie, dan wordt in verband met de levering van het bouwterreinen BTW in rekening gebracht en is de samenloop- vrijstelling van overdrachtsbelasting van rechtswege van toepassing. Er zal dus geen keuze meer mogelijk zijn om iets wel of niet als bouwterrein te zien.
Tip
Aan de eis dat het bij een bouwterrein moet gaan om onbebouwde grond wordt ook voldaan, als de grond wordt geleverd waarop nog een gebouw staat. Maar dan moet de leverancier zich wel er toe hebben verbonden om dit gebouw in het kader van de levering volledig te slopen.
 

Personeelscriterium voor sportvrijstelling vervalt
De uitzondering die geldt op de BTW-vrijstelling voor diensten van niet-winstbeogende watersportorganisaties, die personeel in dienst hebben voor het verrichten van werkzaamheden aan vaartuigen, is volgens het Europese Hof te strikt. Daarom komt die uit-zondering op de vrijstelling te vervallen. Niet-beogende watersportorganisaties, die personeel in dienst hebben voor de genoemde werkzaamheden, kunnen zich voor alle nog niet definitief vaststaande aangiftetijdvakken op de uitspraak van het Europese Hof beroepen. Anderzijds is de BTW-vrijstelling te ruim toegepast voor het ter beschikking stellen van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen, voor zover deze plaatsen worden gebruikt voor vaartuigen voor recreatief gebruik. Dit wordt nu expliciet als uitzondering op de sportvrijstelling opgenomen.
Let op!
Zodra de niet-winstbeogende watersportorganisatie (weer) gebruik maakt van de BTW-vrijstelling, verliest zij het recht op aftrek van BTW op de kosten en Investeringen, die toe te rekenen zijn aan de vrijgestelde prestaties.

BTW-teruggaaf sneller en eenvoudiger
Het kabinet wil de teruggaafmogelijkheid van de al op aangifte voldane BTW en milieu-belasting bij oninbare vorderingen vereenvoudigen. Anders dan onder de huidige regeling verkrijgt de ondernemer uiterlijk één jaar na het opeisbaar worden van zijn vordering recht op teruggaaf. Daarnaast hoeft niet langer een separaat teruggaafverzoek ingediend te worden, maar kan het bedrag van de teruggaaf in mindering worden gebracht op de periodieke aangifte voor de BTW of milieubelasting. Betaalt de ondernemer een vordering, die eerder als oninbaar is aangemerkt, op een later tijdstip alsnog? Dan moet de eerder op de aangifte in mindering gebrachte BTW of milieubelasting opnieuw op aangifte worden voldaan. De voorgestelde teruggaafregeling geldt overigens ook als een vordering wordt overgedragen aan een andere onderneming, zoals een factormaatschappij.
Let op!
Voor de afnemer wordt de termijn, waarna bij niet-betaling de eerder in aftrek gebrachte BTW moet worden gecorrigeerd, teruggebracht van twee naar één jaar. Dit is in lijn met de termijn van één jaar waarna recht op teruggaaf ontstaat bij de ondernemer die het goed of de dienst heeft geleverd.

 

FISCALE PENSIOENMAATREGELEN

Afschaffing pensioen in eigen beheer (zie ook “UITGELICHT” hierna)
Naast het Belastingplan 2017 heeft de regering op Prinsjesdag een belangrijk wetsvoorstel ingediend dat een einde maakt aan het ‘pensioen in eigen beheer’. Met ingang van 2017 is het voor een directeur-grootaandeelhouder (‘DGA’) niet meer mogelijk pensioen in eigen beheer op te bouwen. Ook mag binnen een bestaande regeling geen toevoeging aan de pensioenvoorziening meer plaatsvinden, behoudens eventuele indexatie van een bestaande verplichting. Naar schatting 140.000 DGA’s hebben een dergelijke regeling.
De DGA met een bestaande pensioenregeling in eigen beheer krijgt drie mogelijkheden, nl:

  • de bestaande regeling kan blijven bestaan,
  • het pensioen kan worden afgekocht of
  • de bestaande pensioenvoorziening kan worden omgezet in een zogeheten Oudedagsverplichting (ODV).

Blijft de regeling in stand, dan wordt de pensioenvoorziening ‘bevroren’, en blijven de  regels zoals die voorheen golden van kracht, namelijk:op de overeengekomen datum gaan de uitkeringen in en daarop wordt loonheffing  ingehouden.

Overige fiscale pensioenmaatregelen
Het wetsvoorstel bevat nog een aantal maatregelen die niet zien op pensioen in eigen beheer. Zo is het in de toekomst niet meer noodzakelijk een pensioen actuarieel te herrekenen wan-neer dit ingaat voor het bereiken van de 67-jarige leeftijd, namelijk op de eerste dag van de maand waarin men 67 wordt. Dit scheelt administratieve lasten voor pensioen-uitvoerders. De eis dat een pensioenuitkering niet mag uitgaan boven 100% van het laatstverdiende pensioengevend loon vervalt. Gebleken is dat die eis in de praktijk nauwelijks nut heeft. Ook de eis dat pensioen alleen later dan de pensioenleeftijd mag ingaan, als men in de tussentijd in dienst blijft, vervalt. Hierdoor zijn werknemers vrijer in de keuze van de ingangsdatum van het pensioen, zolang het pensioen maar ingaat uiterlijk vijf jaar nadat men de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Tot slot maakt het kabinet het weer mogelijk een nabestaanden-overbruggingspensioen voor half-wezen op te bouwen.

 

OVERIGE MAATREGELEN

Einde aftrek onderhoud monumenten
De regeling die particuliere eigenaren van rijksmonumenten in staat stelt kosten van onderhoud fiscaal in aftrek te brengen, wordt per 2017 beëindigd. Eigenaren van rijksmonumenten die reeds onomkeerbare financiële verplichtingen zijn aangegaan, worden tegemoet gekomen met een niet-fiscale overgangsregeling voor 2017 en 2018 ter waarde van € 32 miljoen per jaar. Vanaf 2019 zal hetzelfde jaarlijkse bedrag structureel worden ingezet binnen een herijkt financieringsstelsel voor monumentenzorg.
Tip
Voor grootschalige ingrepen zijn ook andere faciliteiten beschikbaar, zoals het provinciale restauratiebudget van jaarlijks € 20 miljoen en laagrentende leningen via het Nationaal Restauratiefonds.

Aftrek scholingsuitgaven verdwijnt
De kostenaftrek voor opleiding of studie, gericht op een (toekomstig) beroep zonder recht op studiefinanciering, wordt stopgezet vanaf 2018. Via de niet-fiscale uitgavenregeling die hiervoor in de plaats moet komen, zal van 2018 tot 2022 jaarlijks € 90,8 miljoen en daarna structureel € 112 miljoen worden ingezet in de vorm van scholingsvouchers. De doelgroep voor deze regeling zal bestaan uit mensen die minder snel geneigd zijn scholing te volgen en waarbij het maatschappelijk belang van scholingsdeelname groot is.

Invorderingsregelgeving gestroomlijnd
Voor toeslagen geldt momenteel een ander invorderingsregime dan voor belastingen, wat in de praktijk knelpunten oplevert. De invordering voor belastingen en toeslagen wordt daarom gestroomlijnd door het regime voor belastingen, zoals vastgelegd in de Invorderingswet 1990, (grotendeels) van toepassing te verklaren op toeslagen. Dit heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat bepaalde mensen met een resterende toeslagschuld on-der voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor kwijtschelding. Het is het streven om de wijzigingen in werking te laten treden op 1 januari 2019.

Bezwaar teruggaaf energiebelasting weer mogelijk
Met ingang van 1 januari 2016 is een teruggaafregeling ingevoerd in de energiebelasting voor aardgas dat is geleverd om te worden gebruikt als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren (met inbegrip van de visserij). Omdat toen is vergeten om gelijk vast te leggen dat de beslissing op het teruggaafverzoek wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking, wordt dit alsnog rechtgezet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016.

Fatale termijn voor herziening voorschot en vaststelling toeslag
In juni 2016 is in rechtspraak bepaald dat de bevoegdheid van de Belastingdienst om een voorschot bij een herziening te verlagen, vervalt zodra vijf jaar zijn verstreken sinds het einde van het berekeningsjaar. Deze termijn geldt volgens deze uitspraak ook als de Belastingdienst een tegemoetkoming op een lager bedrag wil stellen dan het verleende voorschot. In de wet wordt deze fatale termijn ten aanzien van de herziening van een voorschot en de vaststelling van de tegemoetkoming daarom vastgelegd.
Tip
Vaststelling van de tegemoetkoming op een hoger bedrag dan het verleende voorschot blijft wel mogelijk. Ook bij herziening van een voorschot blijft verhoging mogelijk.

Afzien verlenen voorschot wordt keuze
De wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit bevat verschillende maatregelen om fraude- en invorderingsrisico’s tegen te gaan in verband met de voorschotsystematiek van toeslagen die vallen onder de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. De maatregel, die betrekking heeft op het niet verlenen van een voorschot als de aanvrager van de toeslag (of zijn partner of medebewoner) een vergrijp heeft begaan waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd of een soortgelijk misdrijf waarvoor een strafrechtelijke sanctie is opgelegd, is nog niet in werking getreden.
Het kabinet kiest ervoor deze maatregel nog aan te passen en vorm te geven als een bevoegdheid, zodat de Belastingdienst niet meer verplicht is om af te zien van het verlenen van een voorschot, maar de mogelijkheid heeft in bepaalde gevallen toch een voorschot te verlenen.

Fiscus gaat toeslaginformatie delen
Op grond van de bestaande geheimhoudingsplicht kan de Belastingdienst gegevens die relevant kunnen zijn voor andere bestuursorganen, alleen verstrekken als een wettelijk voorschrift dat verplicht. Het kabinet voegt daarom een bepaling aan de Algemene wet Inkomensafhankelijke Regelingen toe, die een grondslag biedt voor gegevensverstrekking aan bestuursorganen waarmee op basis van een convenant wordt samengewerkt. Een voorbeeld daarvan is het Financieel Expertise Centrum waar informatie-uitwisseling plaatsvindt ten aanzien van bestrijding van terrorismefinanciering.

Overzicht gewijzigde heffingskortingen
Hierin zijn alleen de wijzigingen in heffingskortingen opgenomen zoals voorgesteld in het belastingplan 2017.

2017 (€)
Heffingskortingen 2016 (€)
Algemene heffingskorting maximaal (< AOW-leeftijd) 2.242 2.254
Arbeidskorting max. 3.103 3.223
Ouderenkorting max. 1.187 1.292


Lager tarief zelfstandige laadpalen

Voor elektriciteit geleverd aan laadpalen met een zelfstandige aansluiting stelt het kabinet voor om over de eerste 10.000 kWh de startschijf over te slaan en direct het lagere tarief van de tweede schijf te rekenen. Daarmee geldt over de eerste 50.000 kWh één en hetzelfde tarief. Het tarief in de tweede schijf bedraagt op dit moment 4,996 cent per kWh en ligt daarmee ongeveer de helft lager dan het reguliere tarief in de eerste schijf van 10,07 cent per kWh. Dit komt neer op een voordeel van 1 à 2 euro per volle accu. Het verlaagde tarief zal vier jaar van toepassing zijn, van 2017 tot en met 2020. Verder stelt het kabinet voor om het tarief voor de elektriciteit voor laadpalen met een zelfstandige aansluiting op het distributienet in de Wet opslag duurzame energie voor de periode van 2017 tot en met 2020 op nihil te stellen.

 

EERDER AANGEKONDIGDE MAATREGELEN PER 2017

Loonkostenvoordeel LIV’s
Op basis van de Wet tegemoetkomingen loondomein profiteren werkgevers die werknemers in dienst hebben met een relatief laag loon (LIV’s) per 1 januari 2017 van een loonkostenvoordeel. Het gaat om substantiële banen van ten minste 1248 uur op jaarbasis. 

Huidige en nieuwe tegemoetkomingen
Doelgroep Huidige premiekorting (€) Nieuwe maximum tegemoetkoming (€)
100 – 110% WML (LIV) - 2.000
110 – 120% WML (LIV) - 1.000
Ouderen 56+ 7.000 6.000
Arbeidsgehandicapten 7.000 6.000
Banenafspraak divers 2.000

Tip
In 2017 is samenloop tussen de huidige premiekortingen en het LIV mogelijk. De werkgever kan voor een werknemer, die kwalificeert voor zowel een premiekorting als het LIV, beide tegemoetkomingen ontvangen.

Nieuwe heffingssystematiek in box 3
Onder de huidige regeling wordt de belasting in box 3 van de inkomstenbelasting berekend aan de hand van een vast forfaitair rendement van 4%.

Vanaf 2017 wordt het forfaitaire rendement gebaseerd op de gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen over spaargeld en beleggingen (de vermogensmix), in combinatie met een in het verleden in de markt gerealiseerd rendement op beide componenten. Het vermogen van elke belastingplichtige wordt verdeeld over drie schijven. Per schijf geldt een gemiddelde vermogensmix, die gebaseerd is op de feitelijke gegevens uit alle belastingaangiften over het kalenderjaar 2012. De vermogensmix zal achteraf worden geëvalueerd om te beoordelen of deze nog aansluit bij de realiteit dan wel of deze aanpassing behoeft. Vervolgens wordt op basis van werkelijk gerealiseerde marktrendementen in het verleden een gemiddeld rendement toegerekend aan het spaardeel (1,63%) en het beleggingsdeel (5,5%) in de vermogensmix. Er zullen effectief 3 inkomens zijn: 2,91%, 4,69% en 5,5%. Na vermenigvuldiging met het tarief van 30% komt men uit op de te betalen belasting in box 3. In 2017 zullen effectief 3 heffingspercentages gelden, die de bekende 1,2% zullen vervangen: 0,873%, 1,407% en 1,65%.
Let op!
Voor buitenlandse belastingplichtigen met een bepaald box 3-vermogen in Nederland zal hetzelfde forfaitaire rendement worden toegepast als voor binnenlandse belastingplichtigen met een even groot box 3-vermogen. Inmiddels hebben zij overigens ook recht op een heffingsvrij vermogen, gedwongen door EU-jurisprudentie.

Heffingsvrij vermogen box 3 stijgt naar € 25.000
Het heffingsvrije vermogen voor box 3 van € 24.437 (bedrag 2016) gaat met ingang van 1 januari 2017 omhoog naar € 25.000 per persoon. Fiscale partners mogen net als nu kiezen hoe zij het gezamenlijke box 3-vermogen na aftrek van tweemaal het heffingsvrije vermogen onderling verdelen. Als men geen keuze maakt, wordt bij beide partners automatisch de helft van de grondslag in aanmerking genomen. Anders dan nu, kan de verdeling van de grondslag vanaf 2017 wel invloed hebben op de belastingdruk in box 3, namelijk wanneer een schijfgrens wordt overschreden.
Let op!
Een 50:50-toerekening is altijd voordelig voor de belastingdruk in box 3 als partners met de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen een schijfgrens overschrijden.

Veranderingen autobelasting
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet uitwerking Autobrief II bestaan er per 1 januari 2017 nog drie bijtellingstarieven: 

  • een 4%-tarief voor elektrische auto’s,
  • een standaardtarief van 22% en
  • een 35%-tarief (over de dagwaarde!) voor auto’s van 15 jaar of ouder.

De motorrijtuigenbelasting gaat met 2% omlaag. Elektrische auto’s zijn nog tot en met 2020 vrijgesteld van MRB en plug-in hybrides blijven gedurende die periode onder het half-tarief vallen. De belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) wordt tussen 2017 en 2020 stapsgewijs afgebouwd met 14,7%. De elektrische auto blijft tot en met 2020 BPM-vrij. Voor plug-in hybrides geldt dat een CO2-uitstoot van 30 gram/km of meer leidt tot BPM-heffing.
Let op!
De nieuwe bijtellingspercentages gelden niet voor auto's die vóór 1 januari 2017 zijn toegelaten. Gebruikers van auto's, waarvoor een CO2-uitstoot gerelateerde korting geldt, kunnen voorlopig nog profiteren van een lagere bijtelling.

UITGELICHT: AFSCHAFFING PENSIOEN IN EIGEN BEHEER

Naast het Belastingplan 2017 heeft de regering op Prinsjesdag een belangrijk wetsvoorstel ingediend dat een einde maakt aan het ‘pensioen in eigen beheer’. Met ingang van 2017 is het voor een directeur-grootaandeelhouder (‘DGA’) niet meer mogelijk pensioen in eigen beheer op te bouwen. Ook mag binnen een bestaande regeling geen toevoeging aan de pensioenvoorziening meer plaatsvinden, behoudens eventuele indexatie van een bestaande verplichting. Naar schatting 140.000 DGA’s hebben een dergelijke regeling.

De DGA met een bestaande pensioenregeling in eigen beheer krijgt drie mogelijkheden, nl:

  • de bestaande regeling kan blijven bestaan,
  • het pensioen kan worden afgekocht of
  • de bestaande pensioenvoorziening kan worden omgezet in een zogeheten Oudedagsverplichting (ODV).  

Blijft de regeling in stand, dan wordt de pensioenvoorziening ‘bevroren’, en blijven de  regels, zoals die voorheen golden, van kracht, namelijk:  op de overeengekomen datum gaan de uitkeringen in en daarop wordt loonheffing  ingehouden.
Let op!
Het ongewijzigd laten van een bestaande pensioenvoorziening is meestal niet gunstig. Vaak is het verschil tussen de fiscale waarde en de ‘commerciële’ waarde zo groot, dat de mogelijkheid om dividend uit te keren beperkt is. Het wetsvoorstel biedt een gunstige regeling om van die ‘klem’ af te komen.

Afkopen of omzetten in ODV
Wie gebruik maakt van de regeling voor afkoop van de pensioenregeling of omzetting in een Oudedagsverplichting, hoeft geen loon- en inkomstenbelasting te betalen over het verschil tussen de commerciële en de fiscale waarde. Ook betaalt hij niet de ‘revisierente’, die normaal gesproken wel verschuldigd zou zijn. De ODV is een soort spaarrekening bij de eigen BV. De DGA betaalt geen belasting over het tegoed, maar wel over de uitkeringen. Bij gehele afkoop betaalt de DGA direct inkomstenbelasting over de afkoopwaarde, verminderd met een korting. In 2017 bedraagt de korting 34,5%. Belangrijk verschil is dus dat een DGA bij afkoop weliswaar eerder belasting betaalt, maar in beginsel wel over een veel lager bedrag.
Tip
Of afkoop of omzetting voordeliger is, hangt af van een aantal factoren, waaronder leeftijd en vermogen in box 3. Omzetting heeft bovendien een liquiditeitsvoordeel:er hoeft niet direct te worden afgerekend. Het lijkt erop dat in de meeste gevallen omzetting in een oudedagsvoorziening het voordeligst is.

Toestemming partner
Uiteraard gelden voorwaarden voor gebruikmaking van de afkoop- of omzettingsfaciliteit. De wetgever vindt het bijvoorbeeld belangrijk dat de belangen van de partner niet uit het oog worden verloren. De partner zou immers (indirect) aanspraken kunnen verliezen, bijvoorbeeld doordat hij of zij geen ouderdomspensioen meer ontvangt. Daarom is het verplicht dat de partner schriftelijk akkoord gaat met afkoop of omzetting en eventueel compensatie krijgt voor het verlies van aanspraken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Copyright Licent Academy 2016


Gerelateerde artikelen