Fiscale tips augustus 2016

Fiscale tips augustus 2016

Fiscale tips augustus 2016


Een overzicht van de fiscale tips.

 

In dit nummer onder andere:

 

  • Verstrekken hypotheekverklaring maakt lening nog niet zakelijk
  • Hoge Raad zet vraagtekens bij antiwinstdrainage renteaftrekbeperking
  • Vereenvoudiging teruggaaf btw bij niet betalen in de maak
  • Structureel verhoogde schenkingsvrijstelling in 2017
  • Cafetariastelsel moet realiteitswaarde hebben
  • Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

 

 De ondernemer en de dga

 

 Gelijkwaardige arbeid vervangt rentebetaling

Als een bv haar directeur-grootaandeelhouder (dga) een lening verstrekt, kunnen beide partijen ook een andere zakelijke tegenprestatie overeenkomen in plaats van het betalen van rente. Bijvoorbeeld het verrichten van arbeid. Als de verrichte arbeid een gelijke waarde heeft als een zakelijke rente, betekent dit wel dat de bv geen reden heeft om de vordering op de dga op een lager bedrag dan de nominale waarde te stellen. Dit is gebleken uit een recente uitspraak van Hof Den Haag.

Verstrekken hypotheekverklaring maakt lening nog niet zakelijk

Een dga kan een vordering op zijn bv alleen maar afwaarderen ten laste van zijn resultaat uit overige werkzaamheden als de lening zakelijk is. De Belastingdienst zal al snel een lening bestempelen als onzakelijk als de bv onvoldoende zekerheid stelt. In een zaak voor Zeeland-West-Brabant bijvoorbeeld had een Spaanse vennootschap (SL) van haar Nederlandse dga geld geleend om een Spaans pand in aanbouw te kopen. De SL had een positieve/negatieve hypotheekverklaring afgegeven maar geen andere zekerheden gesteld. Op het moment van verstrekking van de lening, waren binnen de SL zelfs geen middelen beschikbaar voor rente en aflossing. De dga stelde dat zijn risico werd gecompenseerd door de waardeontwikkeling van het pand, maar de rechtbank vond dit te speculatief. De lening was daarom onzakelijk, zodat de waardevermindering niet aftrekbaar was.

 

 Tip!
Als een schuldeiser onvoldoende zekerheid stelt, zodat een onafhankelijke derde de lening alleen tegen een hogere rente zou willen verstrekken, is de lening wel zakelijk. Alleen de rentevergoeding is onzakelijk, zodat de fiscus zal uitgaan van de rente die een derde zou accepteren.

 

Vennootschapsbelasting

 

 Hoge Raad zet vraagtekens bij antiwinstdrainage renteaftrekbeperking

Onlangs heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omstandigheid dat mogelijk fiscale redenen een rol speelden in de keuze tussen financieren met eigen of vreemd vermogen niet van belang zijn bij de beoordeling van de zakelijkheid. Daarnaast heeft de Hoge Raad aan het Europese Hof van Justitie een prejudiciële vraag voorgelegd. De Hoge Raad wil namelijk weten of de renteaftrekbeperking bij besmette rechtshandelingen in strijd is met het Europees recht. In deze zaak vormden de schuldenaar en de schuldeiser geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Was dit wel het geval geweest, dan zou door de ‘fiscale consolidatie’ geen verband met zo’n kapitaalstorting zijn waar te nemen. De renteaftrek viel dan wel te genieten. De vraag is of de Europese rechtspraak zich verzet tegen deze uitkomst.

 Bv kan zich niet zomaar investeringsplannen concern toerekenen

Bij de beoordeling of sprake is van een herinvesteringsvoornemen kan de omstandigheid dat een vennootschap behoort tot een groep van vennootschappen die actief is in de vastgoedsector, relevant zijn. Maar dat betekent niet dat men in deze situatie de eerstgenoemde vennootschap zo maar een investeringsvoornemen mag toerekenen, zoals blijkt uit een recente zaak voor Rechtbank Gelderland. In deze zaak stelde de inspecteur dat de herinvesteringsreserve (hir) van een bv was vrijgevallen omdat geen sprake zou zijn geweest van een onafgebroken herinvesteringsvoornemen. De bv beargumenteerde dat zij deel uitmaakte van een concern. Binnen dat concern keek men continu naar herinvesteringsmogelijkheden. Bij een werkelijke koop van vastgoed keek het concern welke vennootschap als kopende partij zou optreden. De aanwezigheid van een hir kon een reden zijn om het vastgoed door de betreffende vennootschap te laten kopen, aldus de bv. Maar de rechtbank vond dat voor de toerekening van het investeringsvoornemen sprake moest zijn van bijkomende omstandigheden. Deze omstandigheden moesten aannemelijk maken dat bij realisatie van dit voornemen de bv de investering zou verwezenlijken. De bv had deze bijkomende omstandigheden niet aannemelijk gemaakt.

 Goede reputatie koper beschermt verkoper cash-bv

Wie minimaal een derde van de aandelen in een bv bezit, moet opletten bij verkoop van die aandelen als de bezittingen van de bv voor minstens 30% bestaan uit beleggingen of liquide middelen. Onder bepaalde omstandigheden kan de ontvanger van de belastingen hem namelijk aansprakelijk stellen voor een bij de verkoop doorgeschoven belastingclaim. Maar voor bepaalde reserves geldt een disculpatiemogelijkheid. De verkoper van de aandelen wordt dan niet aansprakelijk gesteld als niet aan hem is te wijten dat de belasting over deze reserves niet is betaald. Zo mocht de fiscus in een recente zaak voor Hof Den Haag de verkoper van een aandelenpakket niet aansprakelijk stellen, omdat deze niet kon vermoeden dat de belastingclaim gevaar liep. De koper van de aandelen had een goede reputatie en beschikte over voldoende vermogen om de belastingclaim over de hir in de overgenomen bv te kunnen betalen. Bovendien had de Belastingdienst zelf ook afspraken gemaakt met de kopende partij.

 

Let op!
Vanaf 15 september 2015, 15.15 uur staat de disculpatiemogelijkheid niet meer open voor wat betreft de herinvesteringsreserve.

 

BTW

 

 Advies voor uniform btw-tarief

 De Studiegroep Duurzame Groei van Economische Zaken adviseert in haar Rapport werkgroep fiscaliteit om het lage btw-tarief af te schaffen. Het huidige stelsel waarin een hoog btw-tarief (21%) en een laag btw-tarief (6%) naast elkaar bestaan, zorgt voor onnodige complexiteit en verstoort concurrentie. Het gelijkstellen van het btw-tarief neemt verstoringen in consumptiebeslissing en allocatie van productiefactoren weg. Een uniform btw-tarief is volgens de studiegroep om die reden economisch doelmatiger en bovendien minder fraudegevoelig. De studiegroep meent dat een uniform btw-tarief zowel de administratieve lasten van het bedrijfsleven als de uitvoeringskosten van de Belastingdienst zal doen afnemen. De consument zal een wijziging van het btw-stelsel wel voelen in de portemonnee; de studiegroep verwacht een doorwerking in de verkoopprijs van 50%. Neem contact met ons op als u op de hoogte wilt blijven van de voorstellen en plannen van de wetgever met betrekking tot de btw.

Goedkeuring btw-vrijstelling samenwerkingsverband ingetrokken

Voor werkgevers- en werknemersorganisaties met zowel vrijgestelde als belaste leden gold een goedkeuring voor een verruimde toepassing van de btw-vrijstelling voor samenwerkingsverbanden. Deze regeling is met ingang van 1 juli 2016 ingetrokken. De goedkeuring is vervallen omdat deze geen basis kent in de Btw-richtlijn. Dit staat in een nieuw besluit over de vrijstelling voor de diensten en nauw daarmee samenhangende leveringen van werkgevers- en werknemersorganisaties. Het nieuwe besluit is op 23 juli 2016 in werking getreden.

 Vereenvoudiging teruggaaf btw bij niet betalen in de maak

Als een ondernemer over een prestatie btw of milieubelasting heeft voldaan, kan hij deze belastingen terugvragen als zijn afnemer niet betaalt. Aan deze teruggaaf zijn voorwaarden verbonden. Het ministerie van Financiën wil de procedure voor het verkrijgen van de teruggaaf vereenvoudigen. Volgens een voorstel zal het recht van de ondernemer op teruggaaf van de eerder voldane belasting in ieder geval ontstaan voor zover de vergoeding een jaar na opeisbaarheid nog niet is ontvangen. Als de afnemer alsnog betaalt, is de ondernemer opnieuw de belasting verschuldigd. Via internetconsultatie ‘Vereenvoudiging belastingteruggaaf oninbare vorderingen’ kunnen betrokkenen reageren op het concept wetsvoorstel.

 

Familievermogensrecht
 Geen schenking als bestemming geldbedrag onbekend is

Fiscaal gezien kan pas sprake zijn van een schenking als de schenker verarmt, de begiftigde wordt verrijkt en de schenker handelt uit vrijgevigheid. In een zaak voor Hof Den Bosch constateerde de inspecteur na het overlijden van een vrouw dat een fors geldbedrag was opgenomen van een bankrekening. Omdat de bestemming van het geldbedrag onbekend was gebleven, besloot de inspecteur in eerste instantie een aanslag van schenking aan een onbekende verkrijger op te leggen. Een paar jaar later stelde de ontvanger van de belastingen de twee minderjarige erven van erflaatster aansprakelijk voor de niet-betaalde aanslag. Hof Den Bosch oordeelde dat de aansprakelijkstelling onterecht was. Het was namelijk niet bekend waaraan het opgenomen bedrag was besteed en wanneer het bedrag het vermogen van de erflaatster had verlaten. Nu niet was te bepalen wie was verarmd, bij wie het geldbedrag terecht was gekomen en of sprake was van vrijgevigheid, was geen sprake van een schenking.

 Structureel verhoogde schenkingsvrijstelling in 2017

Per 1 januari 2017 wordt de vrijstelling van schenkbelasting bij een schenking die is gerelateerd aan een eigen woning structureel verhoogd naar € 100.000. In beginsel staat deze structureel verhoogde vrijstelling in 2017 niet open voor personen die al gebruik hebben gemaakt van een verhoogde vrijstelling voor een schenking van de ouders. Bij wijze van overgangsrecht zullen een paar uitzonderingen gelden. Wie in 2015 en 2016 al een beroep heeft gedaan op de eenmalige verhoogde vrijstelling bij de eigen woning, kan onder voorwaarden in 2017 toch een vrijstelling toepassen. Naar verwachting zal deze vrijstelling bestaan uit de verhoging van de eenmalige vrijstelling bij eigen woning per 1 januari 2017, dus € 100.000 -/- € 53.016 = € 46.984.

 

Let op!

De verhoogde vrijstelling bij schenkingen van ouders aan kinderen tussen de achttien en veertig jaar bedraagt dit jaar in beginsel € 25.449. Deze vrijstelling kan stijgen tot € 53.016 als de schenking bepaalde doeleinden dient, bijvoorbeeld de financiering van een eigen woning of studie.

 

BOF WBR ook mogelijk bij verkrijging onroerendezaaklichaam

 Een ondernemer kan onroerende zaken, die tot zijn onderneming behoren, overdragen aan bepaalde familieleden zonder dat daarbij overdrachtsbelasting is verschuldigd. Als voorwaarde geldt dat deze familieleden de onderneming in zijn geheel voortzetten. Deze bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de overdrachtsbelasting geldt volgens Rechtbank Noord-Nederland ook als een rechtspersoon de materiële onderneming drijft. Volgens de rechtbank beoogde de wetgever met de BOF alle bedrijfsoverdrachten vrij te stellen die voldoen aan de materiële criteria voor het bestaan van een onderneming. Het begrip onderneming sluit aan bij een onderneming als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001, ook wanneer die wordt gedreven door een vennootschap of lichaam. Als de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing is op een onderneming die direct door een natuurlijk persoon wordt gedreven, geldt de vrijstelling ook als een materieel gelijke onderneming door een rechtspersoon wordt gedreven. Het tussengeschoven zijn van een vennootschap leidt dan niet tot het vermijden van overdrachtsbelasting.

 

Loonheffingen en sociale verzekeringen
 Cafetariastelsel moet realiteitswaarde hebben

Het cafetariastelsel houdt grofweg gezegd in dat werknemers binnen bepaalde grenzen belaste loonbestanddelen kunnen omruilen voor onbelaste loonbestanddelen. Ook na de invoering van de werkkostenregeling is het mogelijk om een cafetariastelsel te hanteren. De staatssecretaris van Financiën heeft onlangs een besluit over de cafetariaregeling geactualiseerd in verband met de beëindiging van het overgangsrecht. In zijn besluit licht de staatssecretaris toe dat de werkgever binnen de werkkostenregeling uitvoering geeft aan een cafetariaregeling door een vergoeding of verstrekking aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel. Daarbij moet de werkgever rekening houden met het gebruikelijkheidscriterium. Verder benadrukt de staatssecretaris dat voor het loonbestanddeel een gerichte vrijstelling kan gelden. Als dat niet het geval is en de werkgever zijn vrije ruimte al volledig heeft benut, komt de heffing voor rekening van de werkgever. Ook stelt het nieuwe besluit dat een wijziging in de overeengekomen vergoeding een zekere realiteitswaarde moet hebben. Dat wil zeggen dat de werkgever en werknemer in wezen in hun onderlinge rechtsverhouding een wijziging hebben aangebracht. Neem contact met ons op als u wilt weten of uw cafetariaregeling nog voldoet aan de eisen.

 Afzien van aandelenoptierecht is ook loon

 Als een werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking opties verkrijgt, behoort wat hij uit de vervreemding van die optie geniet tot het loon. In een zaak voor Hof Den Bosch had een werkgever aan een aantal werknemers optierechten toegekend. Deze optierechten gaven het recht om tegen een bepaalde uitoefenprijs certificaten van aandelen in een concernmaatschappij te kopen. Toen een paar jaar later werd besloten tot een beursgang, sloten de optiehouders een overeenkomst om geen gebruik te zullen maken van de optierechten. Zij ontvingen een vergoeding voor het afstand doen van de optierechten. Het hof oordeelde dat de overeenkomst om geen gebruik te zullen maken van de optierechten in feite neerkwam op het afstand doen van deze rechten. Op grond van de wetsgeschiedenis is het tegen een vergoeding verklaren geen gebruik te zullen maken van het optierecht gelijk te stellen met een vervreemding van het optierecht. In dat geval is het behaalde vervreemdingsvoordeel belast voor de loonbelasting.

Auto
 Proefprocedure voor lagere bijtelling

Op 5 juli 2016 heeft de Eerste Kamer de Wet Autobrief II aangenomen. Op grond van dit wetsvoorstel wordt per 2017 het algemene bijtellingspercentage verlaagd naar 22%. Maar voor auto’s met een eerste tenaamstelling vóór 2017 blijft het 25%-tarief gelden. AMD automotive fiscalisten B.V., een advies- en trainingsbureau voor de automobielbranche, ziet hierin een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De bv zal daarom in samenwerking met Felix Accountants & Belastingadviseurs een proefprocedure starten, zodra dit juridisch mogelijk is. De voorbereidingen daarvoor zijn al begonnen.

Leasen van hybrides daalt

Volgens leasebedrijf LeasePlan leidt de stijging in de bijtelling voor hybride auto’s van 7% naar 15% tot een afname in het aantal geleasede hybrides. Vorig jaar was 12% van alle nieuwe zakelijke auto’s een plug-in hybride, nu is dat nog maar 4%. Het aandeel benzineauto’s steeg daartegen tot 58%. Wie een nieuw leasecontract afsluit, betaalt zo veel belasting dat het voordeliger is geworden een lichte benzineauto te kiezen, aldus LeasePlan. LeasePlan verwacht dat de goedgekeurde Autobrief II zijn schaduw zal werpen op de tweede helft van 2016. Vanaf 2017 geldt voor alle nieuwe leaseauto’s een bijtelling van 22%. Alleen voor elektrische auto’s geldt een bijtelling van 4%. De leasemaatschappij meent dat deze maatregel het volledig elektrisch rijden wel zal bevorderen. Het aandeel elektrische auto’s groeide sinds afgelopen jaar van 1% naar 2%.

 Ook herstelde schade vermindert BPM-grondslag

Beschadigingen drukken de waarde van een auto en daarmee de BPM-grondslag. Onlangs stelde de inspecteur in een zaak voor Rechtbank Gelderland dat hij geen rekening hoefde te houden met schade als deze vóór de registratie was hersteld. Volgens de rechtbank botst deze redenering met de waarborgen voor het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de EU. Het bedrag aan BPM dat rust op een beschadigde auto die zich al bevindt in Nederland, wordt evenredig verminderd met de waarde in het economische verkeer van de auto. Als een handelaar een auto met schade koopt in Nederland, herstelt en vervolgens op naam stelt, volgt geen BPM-naheffing. De kosten voor de handelaar bestaan in dat geval alleen uit de aanschafwaarde van de auto (inclusief het lage bedrag aan BPM) en de herstelkosten. Als de handelaar een identieke auto op de buitenlandse markt aanschaft, moet men uitgaan van hetzelfde lage BPM-bedrag om marktverstoring te voorkomen. En dus moet men rekening houden met de waardevermindering die is opgetreden door de schade, zo redeneert de rechtbank.

 

Toekomstvoorzieningen

 

 Gefacilieerde afkoop pensioen in eigen beheer verwacht

De ministerraad heeft op voorstel van de staatssecretaris van Financiën besloten de regeling Pensioen in Eigen Beheer (PEB) af te schaffen. De staatssecretaris zal met een wetsvoorstel komen dat het mogelijk maakt dat dga’s hun PEB kunnen afkopen. Daarbij zal een flinke belastingkorting gelden. De staatssecretaris denkt aan een korting van 34,5% op de grondslag voor een afkoop in 2017. In 2018 en 2019 zal de korting lager zijn, namelijk 25% respectievelijk 19,5%. Dga’s die hun PEB niet willen afkopen, zullen gebruik kunnen maken van een te introduceren spaarvariant. Het geld blijft dan in de onderneming. Pas in de uitkeringsfase zal de belastingheffing plaatsvinden. De staatssecretaris meent dat deze regeling de dga in ieder geval de mogelijkheid biedt zijn dividendklem (grotendeels) weg te nemen, zonder dat hij meteen moet afrekenen. Met Prinsjesdag zal de staatssecretaris het wetsvoorstel presenteren aan de Tweede Kamer. De verwachting is dat een meerderheid van de Tweede Kamer zal instemmen met het wetsvoorstel.

Eigen woning
 Geen aftrek van creditcard fees voor betaling eigenwoningrente

De enige fiscaal aftrekbare kosten voor de eigen woning zijn de renten van schulden en kosten van geldleningen voor zover deze renten en kosten betrekking hebben op de eigenwoningschuld. Renten en kosten van schulden die zijn aangegaan ter betaling van eigenwoningschulden, zijn niet aftrekbaar. Uit een uitspraak van Hof Den Haag blijkt dat deze renten evenmin aftrekbaar zijn als de bank de eigenwoningbezitter dwingt om de rente te betalen met creditcardpinopnames. In deze zaak waren de creditcardopnames namelijk aangewend voor het betalen van rente op de lening bij de bank en niet voor het financieren van de kosten van die geldlening. Dus er was geen recht op aftrek. Dat de bank de woningeigenaar ten onrechte een hogere lening had verstrekt dan zijn leencapaciteit toeliet, deed daaraan niets af.

 

Administratieve verplichtingen
Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

Op 28 mei 2016 is de Procesregeling prejudiciële vragen belastingkamer Hoge Raad in werking getreden. Deze regeling maakt het mogelijk dat de lagere rechter prejudiciële vragen stelt aan de Hoge Raad. De Hoge Raad kan afzien van het beantwoorden van de prejudiciële vragen als hij meent dat de vraag zich niet leent voor beantwoording via een prejudiciële beslissing. Ook als de vraag niet belangrijk genoeg is om beantwoording te rechtvaardigen, neemt de Hoge Raad de vraag niet in behandeling. Mocht de Hoge Raad de prejudiciële vraag wel in behandeling nemen, dan krijgen de partijen zes weken de tijd om schriftelijke opmerkingen in te dienen. Deze termijn gaat uiterlijk vier weken na ontvangst van de eerdergenoemde beslissing in. Schriftelijke opmerkingen die te laat binnenkomen, worden niet behandeld. De Hoge Raad mag een prejudiciële vraag herformuleren. Maar bij een inhoudelijk grote wijziging moet de Raad het voornemen daartoe doen blijken in een tussenuitspraak. Als de Hoge Raad tot een conclusie is gekomen, maakt de griffier dit bekend. De partijen krijgen vervolgens twee weken de tijd om te reageren op de voorgenomen conclusie. De Hoge Raad kan op grond van bijzondere omstandigheden afwijken van de Procesregeling prejudiciële vragen.

 Ontbrekende facturen rechtvaardigen informatiebeschikking

Een recente zaak voor Rechtbank Den Haag heeft weer eens duidelijk gemaakt hoe belangrijk het is om facturen te bewaren. In deze zaak had de Belastingdienst gemerkt dat bij een ondernemer in ieder geval vier inkoopfacturen ontbraken in de administratie. Dit was een zodanig ernstig gebrek dat dit al een informatiebeschikking rechtvaardigde. De inspecteur had slechts bij twee leveranciers derdenonderzoek gedaan en daaruit was naar voren gekomen dat vier facturen niet in de administratie waren opgenomen. Omdat er meer leveranciers waren, was het mogelijk dat er meer facturen ontbraken. De stelling van de ondernemer dat de facturen in privé waren betaald, mocht niet baten. Van een ondernemer mag men immers verwachten dat hij de inkoopfacturen bewaart.

 

Let op!

Ondernemers zijn verplicht hun administratie minstens zeven jaar te bewaren. Voor gegevens met betrekking tot onroerende zaken geldt een bewaartermijn van minstens tien jaar inclusief het jaar van eerste ingebruikname.

 

 

 

 


Gerelateerde artikelen