Fiscale tips 31 mei 2016

Fiscale tips augustus 2016

Fiscale tips 31 mei 2016


In dit nummer onder andere:

De ondernemer en de dga

Tijdelijke kracht kan ook onder wet DBA ondernemer zijn
De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over de fiscale positie van een arbeidskracht die tijdelijk een werknemer vervangt. Een Kamerlid had gehoord dat de Belastingdienst het standpunt inneemt dat automatisch sprake is van een dienstbetrekking als een nieuwe kracht hetzelfde werk doet als anderen in loondienst. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen bij vervanging voor zwangerschap, ziekte of overbrugging. Dit zou kunnen betekenen dat opdrachtgevers geen zelfstandigen kunnen inhuren voor tijdelijke vervanging van een werknemer. De staatssecretaris stelde in zijn antwoord dat de beoordeling of sprake is van een dienstbetrekking los staat van de vraag of het gaat om tijdelijke, structurele of variabele werkzaamheden. Volgens de staatssecretaris is in dat opzicht niets veranderd door de komst van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). Een invaller die hetzelfde werk op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden doet als de werknemer die hij vervangt, is zelf ook in dienstbetrekking. Als de invaller hetzelfde werk doet maar onder andere voorwaarden en omstandigheden ten opzichte van de vervangen werknemer, kan de invaller wel degelijk buiten dienstbetrekking werken.
Nieuwe lijst met fiscaal transparante samenwerkingsverbanden

De fiscus heeft een nieuwe lijst gepubliceerd van buitenlandse samenwerkingsverbanden en rechtsvormen die transparant zijn voor de Nederlandse winstbelastingen. De nieuwe kwalificatielijst is te downloaden via de website van de Belastingdienst. Bij de beoordeling kijkt de fiscus steeds naar de eigendom bij het samenwerkingsverband, de aansprakelijkheid van de participanten en of sprake is van een in aandelen verdeeld kapitaal en vrije toe- en uittreding. In de praktijk blijkt de kwalificatie in sommige landen sterk afhankelijk te zijn van de inrichting van de statuten. De lijst is daarom indicatief van aard.

Geen aftrek tbs door aanvaarden onzakelijk risico

Als ouders gelden ter beschikking stellen aan de onderneming van hun meerderjarige kinderen, kan dit kwalificeren als een overige werkzaamheid, waarvan het resultaat is belast in box 3. Deze situatie doet zich voor als de terbeschikkingstelling ongebruikelijk is in het maatschappelijke verkeer. In beginsel zijn dan ook verliezen uit deze werkzaamheid aftrekbaar. Aan de andere kant kan de ongebruikelijkheid van de geldverstrekking ook zijn oorzaak vinden in het lopen van een onzakelijk debiteurenrisico. In dat geval kunnen de ouders een eventuele afwaardering van hun vordering op hun meerderjarige kinderen niet aftrekken, zo oordeelde onlangs de Hoge Raad.

Vennootschapsbelasting

Geen voorziening voor doorgestorte en voorgeschoten gelden

Een bv mag volgens Rechtbank Gelderland geen voorzieningen vormen voor gelden die zij op papier uitleent aan anderen, maar die feitelijk worden uitgeleend door de dga van de bv. In dat geval fungeert de bv namelijk alleen als kassier. In de desbetreffende zaak wilde een bv een voorziening opnemen voor de overdracht van certificaten van aandelen en een gecedeerde vordering. Daarnaast wilde zij een voorziening vormen in verband met oninbaarheid van bedragen die waren overgemaakt aan andere bv’s. Hoewel de bv in de overeenkomsten stond vermeld als ‘lender’, bleek uit de omschrijving van de overgemaakte bedragen dat het ging om doorgestorte en voorgeschoten bedragen. De bv had bovendien geen garanties afgegeven ten aanzien van de overdracht van de certificaten van aandelen. Zij mocht daarom geen voorzieningen vormen.

Geen verlaagde overdrachtsprijs zonder bewijs minderwaarde

Ook bv’s kunnen als maat samenwerken via een maatschap. Soms wil zo’n bv haar aandeel in de maatschap overdragen aan haar dochtermaatschappij. In dat geval moet deze overdracht in beginsel gebeuren tegen een overdrachtsprijs die minstens gelijk is aan de stand van de kapitaalrekening van de bv bij de maatschap. Als de bv vindt dat zij daarbij rekening mag houden met een minderwaarde, moet zij dit aannemelijk maken. Uit een zaak voor Rechtbank Gelderland blijkt dat de bv niet kan volstaan met de stelling dat een andere maat ook na te zijn aangemaand een negatief saldo op zijn kapitaalrekening heeft. Deze stelling is vooral zwak als de maten in het jaar vóór de overdracht van het maatschapsaandeel nog toestonden dat de betreffende maat zijn negatieve saldo niet (volledig) aanvulde. Pas als duidelijk wordt dat de maat zijn aanvullingsschuld niet zal voldoen, valt de waarde van het aandeel van de andere maat te verlagen.

Nieuw document van EC over verboden staatssteun

De Europese Commissie (EC) heeft een nieuw document gepubliceerd waarin zij ingaat op verboden staatssteun. De EC behandelt onder meer maatregelen ten aanzien van de vrijheid van lidstaten om via tax rulings de belastingdruk van (multinationale) ondernemingen te verlagen. Het document bevat daarnaast een waarschuwing: ondernemingen kunnen niet langer ongelimiteerd schuiven met winsten en kosten. Ook stelt de EC dat intercompany contracten altijd gebaseerd moeten zijn op marktconforme prijzen. Dat geldt ook voor transacties waarbij sprake is van niet-materiële zaken, zoals intellectueel eigendom.

BTW

Bewijslast bij afwijken van pro-ratamethode

Als een onderneming een onroerende zaak gebruikt ten behoeve van zowel btw-belaste als vrijgestelde prestaties, moet een splitsing plaatsvinden om de aftrekbare voorbelasting te kunnen berekenen. De hoofdregel luidt dat de verhouding tussen aftrekbare btw en totale gefactureerde btw gelijk is aan de verhouding tussen btw-belaste omzet en de totale omzet. Deze methode noemt men de pro-ratamethode. Ondernemers mogen bij de berekening van de aftrekbare voorbelasting afwijken van de pro-ratamethode als het werkelijke gebruik niet overeenkomt met de pro-ratamethode. De ondernemer moet dan wel bewijzen dat zijn methode beter aansluit op het werkelijke gebruik. In een recente zaak voor Rechtbank Gelderland wilde een bv de voorbelasting op haar algemene kosten, waaronder autokosten en accountantskosten, splitsen op basis van de verhouding in het gebruik van de vierkante meters vloeroppervlak van een pand. De rechtbank vond de vloeroppervlakte geen goede indicator van het werkelijke gebruik ten aanzien van de algemene kosten. De bv had voor de splitsing van de voorbelasting in de autokosten beter kunnen uitgaan van een kilometeradministratie. Maar die had zij niet bijgehouden, zodat de bv de pro-ratamethode moest hanteren.

Teruggaaf btw na te heffen bij voorbehoud fiscus

Wanneer iemand een ‘Opgaaf startende onderneming’ stuurt naar de Belastingdienst, kan de inspecteur in een brief zijn oordeel geven of sprake is van ondernemerschap. Dit kan een voorlopig oordeel zijn. Blijkt na bijvoorbeeld een boekenonderzoek dat geen sprake is van ondernemerschap voor de omzetbelasting, dan kan de inspecteur een onterecht verleende teruggaaf van btw naheffen. In een zaak voor Hof Arnhem-Leeuwarden probeerde een man de naheffingsaanslag te laten vernietigen met een beroep op het vertrouwensbeginsel. Het hof oordeelde echter dat de Belastingdienst geen vertrouwen had gewekt. De inspecteur had duidelijk gemaakt dat hij tot een voorlopig oordeel was gekomen. En in de teruggaafbeschikking stond dat de inspecteur het bedrag van de teruggaaf na een controle kon corrigeren.

Twee prestaties door aanvullende vergoeding

In de praktijk kan het gebeuren dat een btw-ondernemer een vergoeding ontvangt van een ander dan degene voor wie hij een prestatie verricht. In deze situatie kan de Belastingdienst het standpunt innemen dat sprake is van twee verschillende prestaties voor de btw. En dit kan weer ertoe leiden dat de ondernemer twee verschillende tarieven moet toepassen. In een zaak voor Hof Den Bosch bijvoorbeeld ontving een woningcorporatie naast huursommen van huurders een ‘vergoeding leegstand’ van de hogescholen waarbij de studenten stonden ingeschreven. Volgens het hof hield de ‘vergoeding leegstand’ rechtstreeks verband met de door de woningcorporatie verrichte prestatie. Deze prestatie bestond uit het garanderen van de beschikbaarheid van woonruimte voor de studenten. Naarmate de woningcorporatie meer leegstaande wooneenheden beschikbaar hield, waren de hogescholen voor deze prestatie meer verschuldigd. Deze vergoeding was daarom een aparte en belaste prestatie.

Familievermogensrecht

Tweede Kamer neemt wetsvoorstel bescherming erfgenamen aan

De Tweede Kamer heeft onlangs het wetsvoorstel voor de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden aangenomen. Onder dit wetsvoorstel is pas sprake van zuivere aanvaarding als een erfgenaam goederen van de nalatenschap verkoopt of op andere wijze onttrekt aan eventuele schuldeisers. Ook beoogt het wetsvoorstel een uitzonderingsclausule voor gevallen waarin de erfgenaam na zuivere aanvaarding wordt geconfronteerd met een onverwachte schuld. De Eerste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie behandelt nu het wetsvoorstel. Als deze commissie akkoord gaat, zal het voorstel op 7 juni 2016 worden aangenomen.

Vermogensetikettering kan tot meer BOF leiden

De verkrijging van een belang van minstens 5% in een bv kan vallen onder de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) voor zover het om ondernemingsvermogen gaat. Als een bv een belang houdt in een ander lichaam, waarin de erflater of schenker een indirect belang van minstens 5% heeft, mag men de bezittingen en schulden van dat lichaam toerekenen aan de bv. Vaak betekent dit dat meer ondernemingsvermogen dat onder de BOF valt. Heeft de erflater of schenker een indirect belang in het andere lichaam van minder dan 5%? Dan kunnen de bezittingen en schulden van dat lichaam toch worden toegerekend aan de bv als de leer van de vermogensetikettering stelt dat het belang voor de bv ondernemingsvermogen is. Deze situatie doet zich voor als de bv wordt geacht een onderneming te drijven en het aanhouden van de belangen in het andere lichaam in lijn ligt met de werkzaamheden van de bv.

   Let op! Een verkregen belang van minder dan 5% kan onder voorwaarden ook kwalificeren als ondernemingsvermogen als het bij de rechtsvoorganger van de schenker of erflater wel minstens 5% bedroeg maar later is verwaterd. Deze verwatering moet voortvloeien uit vererving, overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of schenking.
Beroepsfase eindigt door verwerpen erfenis

Als een belanghebbende een beroepsprocedure aanspant en gedurende deze procedure komt te overlijden, moet de rechter nagaan of het beroep nog wel moet worden voortgezet. Een beroep zonder processueel belang is namelijk niet-ontvankelijk. Maar de rechter kan een zaak aanhangig maken als hij vermoedt dat er nog onbekende belanghebbenden zijn. Onlangs speelde deze kwestie ook voor Hof Arnhem-Leeuwarden. De desbetreffende beroepsprocedure was aangespannen door een vrouw die overleed terwijl de procedure nog liep. De vrouw had wel kinderen, maar daarvan had zij er één onterfd. De andere twee kinderen hadden hun erfenis verworpen. Het hof vond het niet aannemelijk dat er nog onbekende belanghebbenden waren. De rechter constateerde dat het processuele belang van het hoger beroep was komen te vervallen met het overlijden van de vrouw en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Loonheffingen en sociale verzekeringen

Wijziging SNA-normen

De Stichting Normering Arbeid (SNA) geeft keurmerken aan uitzendbureaus en (onder)aannemers die voldoen aan bepaalde voorwaarden. Een organisatie die personeel inleent van een uitzendbureau of (onder)aannemer kan met een SNA-keurmerk (NEN 4400-1 of de NEN 4400-2-norm) het risico op aansprakelijkstelling door de fiscus aanzienlijk beperken. De SNA heeft door het vervallen van de VAR per 1 mei 2016 haar normen aangepast. Uitzendbureaus en aannemers krijgen nu alleen een SNA-keurmerk als zij werken op basis van een door de Belastingdienst goedgekeurde (model)overeenkomst.

   Let op! Opdrachtgevers kunnen sinds 1 mei 2016 ook te maken krijgen met een naheffing over een periode vóór 1 mei 2016. Een opdrachtgever doet er dan ook goed aan om ervoor te zorgen dat hij beschikt over de juiste VAR’s voor de juiste perioden.

 

Crisisheffing van 1,5% loonsom niet buitensporig

Nogal wat werkgevers zijn in bezwaar en beroep gegaan tegen de crisisheffing. Een veel gehoord standpunt is dat deze heffing buitensporig zou zijn. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant moet men bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een buitensporige last bijzonder gewicht toekennen aan de verhouding tussen de hoogte van de crisisheffing en de totale loonsom. De crisisheffing is immers een loonkostenpost voor de werkgever. De rechtbank vindt een crisisheffing van nog geen 1,5% van de totale loonsom van de werkgever niet buitensporig. Overigens beschikte de werkgever in deze zaak over voldoende vermogen en om de crisisheffing te kunnen betalen. De crisisheffing was al met al zowel in relatieve als absolute zin niet zo omvangrijk dat zij als een individuele buitensporige last was aan te merken.

Auto

Kentekenregistratie speelt geen rol bij autokostenbijtelling

Dat het kenteken van een auto niet op naam staat van een werkgever, betekent niet dat de werkgever deze niet ter beschikking heeft gesteld aan zijn werknemers. Dit heeft Hof Amsterdam onlangs benadrukt. Het hof vindt wel van belang of de kosten van een auto voor rekening zijn gekomen voor de werkgever. Als namelijk de werkgever alle kosten draagt van een auto die van een werknemer is, is fiscaal gezien sprake van een auto van de zaak. Tenzij de werknemer aannemelijk maakt dat hij hooguit 500 privékilometers met de auto heeft gereden (bijvoorbeeld door middel van een rittenregistratie), zal de werkgever in zo’n geval de autokostenbijtelling moeten toepassen.

Toekomstvoorzieningen

Uitleg RVU-begrip voor pseudo-eindheffing

De Hoge Raad heeft uitleg gegeven aan de regeling voor vervroegde uittreding (RVU) voor de toepassing van de pseudo-eindheffing bij uitkeringen uit een RVU. Het gaat hierbij erom of de uitkeringen of verstrekkingen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum. De beweegredenen van de werkgever om zodanige uitkeringen of verstrekkingen aan te bieden is in dit verband irrelevant.
Zo had in de zaak voor de Hoge Raad de provincie Zeeland met een nonactiviteitsregeling geen RVU voor ogen. Maar volgens de Hoge Raad was alleen van belang of de uitkeringen of verstrekkingen waren bedoeld om het inkomen van de werknemer tot de pensioendatum te overbruggen of aan te vullen. Nu dit het geval was, kwalificeerde de nonactiviteitsregeling als een RVU voor toepassing van de pseudo-eindheffing.

Let op!
Als een aanspraak op grond van een RVU op enig moment wordt vervreemd, moet men de aanspraak op het moment vlak vóór de afkoop aanmerken als loon uit vroegere dienstbetrekking van de (ex-)werknemer. De waarde van de aanspraak is gelijk aan de waarde in het economische verkeer op dat moment, maar minimaal het bedrag van de afkoopsom.

Eigen woning

Geen hypotheekrenteaftrek bij te veel buitenlands inkomen

Op grond van het Schumacker-arrest van het Europese Hof van Justitie mag een buitenlands belastingplichtige onder voorwaarden niet zwaarder worden belast in de staat waar hij werkt dan een binnenlandse werknemer die dezelfde werkzaamheden verricht. Dit kan ertoe leiden dat de werkstaat rekening moet houden met de persoonlijke situatie en gezinssituatie van de buitenlandse belastingplichtige. Zo stelde een Belg die in Nederland werkte dat hij op basis van het Schumacker-arrest recht had op toepassing van de Nederlandse hypotheekrenteaftrek. Maar hij had geen rekening gehouden met de voorwaarden voor een geslaagd beroep op dit arrest. De werknemer moet namelijk zijn inkomen voor minstens 90% verwerven in de buitenlandse werkstaat. Ten tweede moet hij in zijn woonstaat onvoldoende inkomen genieten om daar te worden onderworpen aan belastingheffing. Aangezien de man ook loon in België ontving, was hij ook daar onderworpen aan belasting. Hij kon in België zelfs een deel van zijn hypotheekrente aftrekken van zijn belastbare loon. Dat de man meer aan hypotheekrente moest betalen dan hij aan Belgisch loon genoot, zodat een deel van de aftrek onbenut bleef, was volgens de Hoge Raad geen reden om hem hypotheekrente in Nederland toe te kennen.

Administratieve verplichtingen

Verplichte beroepseed voor accountants

De Ledenvergadering van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie voor accountants (NBA) heeft besloten dat alle Nederlandse accountants voortaan een eed moeten afleggen. Deze beroepseed stelt dat de accountant zich ervan bewust is te moeten handelen in het algemeen belang. Ook moet hij zich houden aan de beginselen van integriteit, objectiviteit, vakbekwaamheid, zorgvuldigheid en vertrouwelijkheid. Alle ingeschreven actieve accountants moeten de eed afleggen vóór 1 mei 2017, binnen elf maanden na de inwerkingtreding van de verordening op 1 juni 2016. Nieuwe accountants leggen de eed af bij de uitreiking van hun diploma of binnen drie maanden na inschrijving in het register. De NBA hoopt dat de invoering van de eed zal bijdragen aan het herstel van vertrouwen in het accountantsberoep.

In 2018 digitaal fiscaal procederen

De Minister van Veiligheid en Justitie verwacht dat het per 2018 mogelijk is om digitaal te procederen in fiscale zaken. Hij liet dit weten in zijn nadere memorie van antwoord bij drie wetsvoorstellen voor de vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht. De inwerkingtreding van de voorgestelde wetten is afhankelijk van de onderhavige parlementaire behandeling. Voor het overige is de regelgeving volgens de minister gereed. Als de Eerste Kamer de eerste drie wetsvoorstellen vóór 1 juli 2016 aanneemt, volgt een implementatietermijn van zes maanden. Volgens de planning zal vanaf 2018 de mogelijkheid om digitaal te procederen in bestuursrechtelijke zaken met uitzondering van asiel- en bewaringszaken worden ingevoerd. De implementatiefase loopt volgens de planning door tot 2019. Wanneer de implementatie van fiscale cassatiezaken aanvangt, kan de minister echter nog niet zeggen.


Gerelateerde artikelen